Geen afwaardering vordering op zoon met onderneming

De vader mag het verlies op de geldleningen aan zijn zoon niet als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking nemen. Er was sprake van een onzakelijke lening. Aldus de rechtbank.

Vader B heeft een zoon die diverse horecabedrijven exploiteert. De zoon is ook aandeelhouder in diverse horeca-bv’s. De ondernemingen van de zoon en de bv’s leden verliezen. Op de eindbalans 2007 van de zoon staat een schuld van € 1.065.584 voor de onderhandse leningen die zijn vader aan hem verstrekte. B wenst een afwaardering van zijn vorderingen op de zoon ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning te brengen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur uitsluitend het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd. Hij stelt dat geen sprake is van een geldlening. Voor zover wel sprake zou zijn van een geldlening, kan de vordering op de zoon niet worden afgewaardeerd, omdat sprake is van een onzakelijke lening.

Afwaarderen vordering

In geschil is tot welke bedragen er sprake is van geldleningen; voor zover sprake is van geldleningen is in geschil of de verliezen op deze geldleningen zijn aan te merken als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat B in totaal € 373.950 aan geldleningen heeft verstrekt aan zijn zoon. Deze zijn aan te merken als in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstellingen (art. 3.91, derde lid, Wet IB). De verstrekking van de gelden vond in aanvang plaats ingevolge mondelinge overeenkomsten. Pas in 2007 is een overeenkomst opgesteld tot een uitgeleend bedrag van € 350.000 tegen 4,4% rente. Er was geen aflossingsschema en er waren geen zekerheden gesteld. Volgens de rechtbank maakte de inspecteur aannemelijk dat B bij het verstrekken van de gelden een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Een derde zou de leningen niet op deze wijze verstrekken. B heeft het onzakelijke debiteurenrisico aanvaard vanwege de familierelatie met de zoon met de bedoeling het belang van (de onderneming van) de zoon te dienen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwaardering van de vordering toch zou kunnen plaatsvinden, zijn niet aannemelijk geworden.

Rechtbank Noord-Holland, 25 juli 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:6675