Veroordeling voor het niet doen van suppletie-aangifte omzetbelasting

De rechtbank veroordeelt een leidinggevende omdat hij niet voldeed aan de verplichting een suppletie-aangifte omzetbelasting te doen.

B wordt in deze strafzaak ervan beschuldigd dat hij als feitelijk leidinggevende van X BV opzettelijk niet heeft voldaan aan de verplichting tot het doen van een suppletie-aangifte (meldingsplicht art. 10a AWR). De Belastingdienst heeft hierdoor een bedrag van € 111.946 aan omzetbelasting misgelopen. B erkende dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij heeft deze keuze bewust gemaakt, omdat hij het benodigde geld nog niet voorhanden had. Zijn accountant had hem meerdere malen op deze verplichting en gevolgen gewezen.

De rechtbank verklaart bewezen, dat B het tenlastegelegde heeft begaan. Bij de strafmaat gaat de rechtbank uit van het daadwerkelijke benadelingsbedrag (€ 111.946) en niet van het bedrag dat destijds bij wijze van suppletie had moeten worden ingediend. De rechtbank houdt rekening met het feit dat B het ten laste gelegde feit volmondig heeft erkend en niet eerder voor een soortgelijke feit met politie en justitie in aanraking is geweest. Ook heeft hij inmiddels orde op zaken gesteld binnen X BV en er voor zorg gedragen dat alsnog de suppletie-aangifte is ingediend.

De rechtbank veroordeelt B tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur op.

Rechtbank Overijssel, 25 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2901